|
|
|||
![]() |
|||
Leren Jongleren: Stap 2Inleiding | Stap 1 | Stap 2 | Stap 3 | Resultaat Neem in iedere hand één bal. Als je nu dezelfde worp maakt als in stap 1, stuit je vanzelf op een probleem: Je vangende hand is al vol! Dit gaan we als volgt oplossen: als de eerste bal in de lucht alweer naar beneden komt, gooi je de tweede bal terug naar de eerste hand. Dit doe je met dezelfde worp op dezelfde hoogte (alleen de andere kant op). Je moet de tweede bal dus met een zelfde boogbaan op ooghoogte teruggooien, en niet snel onderdoor naar je andere hand doorgeven. Deze techniek, waarbij je vlak voordat je een bal vangt ook een bal weggooit, noemen wij de gooi-en-vang. In de Engelse jongleerterminologie wordt wel gesproken van de 'exchange'. Als je dit goed kunt, kun je al bijna jongleren; het leren beheersen van de gooi-en-vang-techniek is de moeilijkste stap uit de jongleercursus. Dus; oefenen, oefenen, oefenen!
Hier zie je waarom het belangrijk is om binnenlangs te gooien en buitenom te vangen. Bij de gooi-en-vang komen de gegooide en de gevangen bal dicht bij elkaar in de buurt. Als je het gooien en vangen op precies dezelfde plaats zou doen, zou de ballen tegen elkaar aan botsen. Het is wel de bedoeling dat je handen op ongeveer dezelfde plaats blijven. Als je steeds je armen moet strekken of stappen moet zetten (of snoekduiken moet maken) om de bal te kunnen vangen, moet je nog wat meer oefenen tot je meer controle hebt over waar de ballen naartoe gaan. Het is weer erg belangrijk dit zowel met links als rechts goed te kunnen. Bij het jongleren van de cascade gebruik je links net zoveel als rechts, dus veel oefenen met die zwakke hand! Als dit negen van de tien keer lukt zonder al te veel problemen, kun je doorgaan naar de volgende stap van deze cursus, waarbij je de gooi-en-vang techniek twee keer achter elkaar gebruikt. |
|||
![]() |
|
||